Om hoe het was en nooit is geworden.

Vannacht huilde ik.

Het was lang geleden. En misschien daarom wel zo pijnlijk.

Vannacht huilde ik om ons.


Ik huilde om alles wat ik nooit zal vergeten, en alles wat ik niet meer weet.

Ik huilde om de keer dat we elkaar kusten op de boot, op een dek vol kleumende mensen, onze vingers in elkaar verstrengeld, met boven ons de maan.

Je droeg een paarse muts.

Ik huilde om het toetje dat we die avond deelden, nadat je me voor het eerst gekust had in een druk restaurant, en ik vervuld was van zóveel magisch geluk dat ik makkelijk had kunnen vliegen (en dat deed ik ook, min of meer, hoger dan ooit, zeker een paar maanden).

Ik huilde om dat ene moment, toen je ergens op een hete zomerdag in juli aan kwam fietsen en mij zocht op het volle terras, je fiets op slot deed en je haar achterover gooide. Je gesloten blik die openbrak toen onze ogen elkaar vonden in de drukte.

Ik huilde om de keren dat we de liefde bedreven, met kleine kaarsjes in de hoek die flakkerden van opwinding, op het moment dat ik zeker, héél zeker wist dat het niet lekkerder en heftiger kon worden, nooit — en jij het tegendeel bewees.

Ik huilde om onze gretige gesprekken, als we in elkaar ontdekten wat we nooit eerder in een ander hadden gevonden, de diepe vanzelfsprekendheden die verwante zielen nu eenmaal delen, de herkenning, de puzzelstukjes die moeiteloos pasten, het eeuwig vertrouwde dat voor ons zo nieuw en fris was.

Ik huilde om alle momenten van tijdelijk afscheid, als ik opgeladen naar huis reed, inwendig fluitend, vol van liefde en fijne verwarring, uitgelaten en speels zwierend over de natte keien van de slapende stad, en de wereld helemaal van mij was.

Ik huilde om onze tekstberichtjes, het ritme van stoute intelligentie, de hartstocht die ons gedeelde gevoel voor vorm en stijl en taal soms overmeesterde en dan niets anders overliet dan rauwe, slordig getypte woorden, alsof ik je toenemende gezucht kon voelen in m’n scherm, en we niet stopten tot een woeste ontlading alles weer tot rust bracht.

Jij daar, ik hier.

Ik huilde om de tranen die je soms ineens liet lopen, je natte wang tegen mijn schouder, vanwege alle pijn die je nog voelde, het verdriet dat je deelde omdat je me vertrouwde en wist dat je je niet hoefde in te houden, de verwarring die in grote ruwe brokken uit je viel, en je snikken die ik een voor een opving en voorzichtig op een stapel legde.

Ik huilde om de eitjes die ik bakte, de sterke koffie die jij zette, en de levensvragen die we naakt en dicht tegen elkaar aan in bed moeiteloos samen onderzochten, perfect op elkaar ingespeeld, met altijd ruimte voor meer verwondering.

Ik huilde om de herinnering aan je van genot vertrokken gezicht, die keren dat je bovenop me zat en ik je krachtig tegenhield om wat we allebei zo ontzettend graag wilden nog even uit te stellen, hoe je met je ogen dicht en mond open en haren vol en wild smeekte om de fijnste verlossing die er maar bestaat, de kleine dood, het tijdelijke einde.

En hoe ik toegaf, graag, voluit, schreeuwend.

Ik huilde om je mooie ranke maanverlichte rug, als je je langzaam aankleedde op de rand van het bed, met een glimlach om je mond die ik niet kon zien maar wel bijna voelen, de net zichtbare zijkant van je ronde borsten (die ik inmiddels zo goed kende), als ik nog heel even uit alle macht probeerde je met volle teugen in mijn herinnering te drinken.

Ik huilde, vannacht.

Om wat we lieten liggen, de toekomst die vervloog toen jij een weg koos die te smal was voor ons twee. Toen je laatste woorden oplosten in de lucht en ik je nog één keer onhandig omhelsde, ingehouden, stram.

Voor ik je nooit meer zag.

Ik huilde, voor het eerst in lange tijd. En misschien was het daarom wel zo fijn.

Het was zo fijn.

Het was.


Geef een reactie