Leef nu het nog kan.

Die middag, na de begrafenis, is iedereen dronken van het leven.

Een roes die bestaat uit een vreemd soort opluchting, rauw verdriet, en de nasmaak van eindigheid, vult de aanwezigen, en zorgt voor een middag vol uitbundig gelach en eindeloos veel omhelzingen.

De zon schijnt. Er is liefde, er is hoop, en er is begrip.

Een uur na het collectieve verdriet in de kerk heerst inmiddels een overal voelbaar woest verlangen, een wilde hunkering naar en waardering ván het aardse bestaan.

Alles is helderder, scherper, mooier, bijzonderder.

Wij leven nog. WE LÉVEN!!!

We zijn zojuist getuige geweest van de abrupte nietsheid na de dood, het onafwendbare, onoverkomelijke, resolute en definitieve, en voelen na de tranen een vreemde onrust die bijna euforisch is.

Als na een kort maar heftig ritje in een existentiële achtbaan.

Maar wij leven nog, fuck yeah!

En natuurlijk komen dan de vragen, de verzuchtingen, de overpeinzingen.

Waarom doen we toch altijd zo moeilijk?

Waarom genieten we niet méér, waarom houden we ons altijd zo in, vanwaar die enorme zuinigheid, dat leven met de rem erop?

Waarom dansen we niet als we zin hebben om te dansen, eventueel naakt (fuck it!) in de regen, waarom houden we eigenlijk niet van elke steen, ieder dier, elke wolk, ieder mens, zélfs de buurman?

Waarom staan we vloekend in de file of op het perron, in plaats van dolgelukkig en vervuld van ontzag voor alles wat het leven te bieden heeft?

Waarom en waarvoor zijn we in godsnaam nog bang, waarom doen we zo gereserveerd, waarom maken we niet gewoon een praatje met die vermoeid kijkende mevrouw bij de bushalte, in plaats van in onze telefoon te duiken?

Waarom léven we verdomme zo weinig nu er nog leven ís!?

Oude gewoontes.

En dan rijden we naar huis, ons hoofd vol nieuwe ideeën en heilige beloftes, vastbesloten alles anders te gaan doen.

Losser, vrijer, grenzelozer, liefdevoller.

Met meer nadruk en meer aandacht en veel meer energie.

Alsof we ons oude contract met het leven hebben verscheurd, en zonder verplichtingen richting horizon reizen.

Alsof we uit een voortijdige dood zijn opgestaan, de dood tijdens het leven die we ons nooit hadden gerealiseerd.

Maar dan sluipen de oude gewoontes er weer in.

De verlammende ideeën, de angsten, het serieuze, en al dat oeverloze gelul.

Een dag later is de opwinding gezakt, en voelen de plannen om alles anders te gaan doen ineens onrealistisch en onhaalbaar, zelfs ‘onvolwassen’.

Het Grote Relativeren is weer voorbij, de nieuwe helderheid verdwenen.

De sleur trekt ons terug op zijn voorspelbaar rechte (maar veilige) spoor, en we sukkelen weer lijdzaam verder, vól verantwoordelijkheden, vól ‘ja maars’, vol beperkingen.

De levensvreugde die ons nog geen 24 uur geleden intens wist te inspireren lijkt bijna helemaal weg, oud nieuws, een vage droom.

Waarom?

Omdat we vergeten.

Omdat we eigenlijk alleen maar nadenken over het wonder van het leven, als de dood nabij is.

Omdat we de magie van onzekerheid stiekem liever inruilen voor verstikkend comfort, en voor de loodzware illusie van controle en zekerheid.

Omdat we keer op keer geleerd hebben niets of niemand te vertrouwen, en onszelf al helemáál niet.

Omdat we heilig geloven in onze gedachten, en onze gedachten altijd weer een enge nieuwe toekomst weten te bouwen die ons in zijn niet-bestaande greep houdt.

En dus vergeten we opnieuw te leven, en vallen we weer in slaap.

Tot de volgende begrafenis.

Tot de volgende realisatie van onze kwetsbaarheid.

Daarom: blijf wakker.

Doe wat je zou doen als je wist dat het ieder moment voorbij kan zijn.

Want het kán ieder moment voorbij zijn.

Leef, nu het nog kan.