Ik ben de vrouw achter de kassa.

De rij telt vijf verdwaalde zielen en vier telefoons.

Ik kijk naar de vrouw achter de kassa.

Haar blik is gesloten, haar mondhoeken hangen teurig omlaag alsof ze dat al jaren gewend zijn en er inmiddels vrede mee hebben.

Ze draagt een vest dat anoniem wil zijn en de Augustuszon schijnt langs haar heen, alsof ze niet de moeite waard is.

De rij wordt kleiner.

Terwijl ik vooruit schuifel en heimelijk naar haar mechanische bewegingen kijk, smelt ongemerkt mijn veroordeling weg, en realiseer ik me:

De vrouw achter de kassa is niet de vrouw achter de kassa.

Ze is moeder en vriendin, zorgzaam en betrokken.

Ze is veel te streng voor zichzelf, en vaak lief voor anderen.

Ze is minnares en stouter dan ik misschien wel ooit zal zijn.

Ze is moe. Maar vast niet altijd.

Ze is steun en toeverlaat, en dromer van voorbije dromen.

Ze is soms een enorm kutwijf.

Ze is zo nu en dan verstikkend eenzaam, helemáál als op de camping rond de uitklaptafel de eerste rondjes wijn zijn ingedaald, als het eerste krat leeg is en de gesprekken harder en kritischer worden.

Ze is broodwinner tegen wil en dank, liefhebber van boeken over Schotse kastelen, en buurvrouw die altijd voor je klaarstaat, soms zelfs als je daar helemaal niet op zit te wachten.

Ze is wel ‘ns uitbundig en ze heeft er vaak zin in, maar vaak ook niet.

En ze is zelfs nog veel, véél meer dan dat.

Want ze is niet de vrouw achter de kassa; ze is wie ik ben.

Ze is de hele wereld, de motor achter het leven en het podium waarop we allemaal onze toneelstukjes spelen, de uitgestrekte blauwe lucht en de planeten, de energie die babyharten laat kloppen en na een vermoeiend bestaan ons afgeragde lijf verlaat.

Ze is alles: de som die dat vaak vergeet en denkt slechts de delen te zijn.

Ze is het complete universum én ze is een mens, een uniek persoon dat meestal gelooft dat dit het wel zo’n beetje is, dít, het halflauwe fletse circus van oudbakken gewoontes, vertrouwde situaties en ijzeren patronen.

Zij en ik zijn niet verschillend, niet afgescheiden, niet los van elkaar, ook al leven we in de droom die het tegendeel lijkt te bewijzen, en ook al loop ik straks de winkel uit en blijft zij zitten waar ze zit.

En omdat het kan en omdat het zo voelt en alles klopt lach ik naar haar.

En ze lacht terug.

Spontaan, verrast, maar intens sprankelend en levendig, alsof ze zich had voorgenomen het nooit meer te doen, maar het niet kan laten.

Alsof het leven héél even laat zien dat het goed is, dat we oké zijn.

Alsof we een geheim delen dat we vergeten waren.

In haar ogen zie ik mezelf.

Ik ben de vrouw achter de kassa.