Op 9 maandag januari, om 13.05, overleed Cato.

Ze was 19 jaar lang mijn geliefde, mijn muze en grootste inspiratiebron, en de moeder van onze dochter.

Toen Cato en ik uit elkaar gingen, zo’n 15 jaar geleden, was dat niet omdat we niet meer van elkaar hielden.

De liefde en het respect en de verbinding zijn altijd sterk geweest, en alleen maar steviger geworden.

Zó stevig zelfs, dat ik de laatste weken van haar leven bij haar mocht zijn in het ziekenhuis en het hospice, iets wat ik nooit zal vergeten, iets uiterst dierbaars en iets absoluut magisch, inclusief het verdriet en de pijn en de wanhoop en de rauwheid.

Het was een van de meest indrukwekkende ervaringen in mijn leven, en het heeft me diep geroerd en veranderd.

De afgelopen dagen heb ik regelmatig nagedacht of ik hier iets over zou schrijven, of ik het expliciet zou delen op social  media, en tot nu toe deed ik het niet.

Soms omdat het gewoon te pijnlijk was (en is).

Soms omdat ik de woorden niet kon vinden (en de woorden die je nu leest doen eigenlijk ook geen recht aan wat ik wérkelijk voel, maar vooruit).

Soms omdat ik er niemand mee wilde confronteren en lastigvallen, laat staan mensen die ik helemaal niet ken.

Soms omdat ik het zelfs wat exhibitionistisch vond, of egocentrisch.

En soms omdat ik bang was om er weer in te duiken of te vallen, in dat onbegrijpelijke, dat definitieve, dat grote (ook al is gebleken dat ik dat kan).

Maar al die overwegingen zijn problematisch.

Ze zouden er niet moeten zijn.

Echt.

Juist dat soort ideeën, dat je het voor jezelf moet houden, dat je het moet verstoppen, dat je moet doen alsof het niet bestaat, en dat je er stilletjes overheen moet leven, is wat onze angst voor de dood in stand houdt, zéker in het Westen.

De dood is altijd dichtbij, dat is gewoon een feit.

Het is een onvermijdelijk fenomeen dat we evengoed lang buiten de deur kunnen houden (en daar is op zich niks mis mee), tót we er onherroepelijk mee geconfronteerd worden.

Het naderende einde in een lichaam, zeker als het zo duidelijk is als in het geval van Catootje waar we het zo’n twee weken heel bewust konden meemaken en beleven, opent deuren naar extreme bullshitloosheid.

Dat was eerlijk gezegd nieuw voor mij.

Ik heb nog nooit zoveel gezichten van de liefde gezien als de afgelopen tijd, nog nooit zoveel oprechtheid, zorgzaamheid, en betrokkenheid.

En die hele enerverende achtbaan, waar geen enkele emotie en geen enkel gevoel werd genegeerd of onderdrukt, was een transformerende ervaring.

Het heeft me diep, diep geraakt.

Het heeft mijn ogen geopend.

En het heeft me, zoals ik ook tegen onze prachtige, stervende vriendin vertelde, het laatste duwtje gegeven dat ik nodig had om ook mijn hart écht te openen.

Een onverwacht cadeau, misschien wel wrang, maar net zo goed onbetaalbaar.

Ik deel dit omdat ik nu eenmaal veel deel, en het voelt in zekere zin als mijn verantwoordelijkheid ook de lastiger, pijnlijker, ongemakkelijker en ontwrichtender onderwerpen te belichten.

Mijn houding ten opzichte van de dood was er een die veel mensen denk ik stiekem hebben: doen alsof het niet bestaat, en er in elk geval in een grote boog omheen lopen, zenuwachtig neuriënd.

Dat is voorbij.

Wat er is, is wat er is, en mijn verzet en weerstand zijn gebroken.

Soms ben ik zó verdrietig dat het voelt alsof ik ga ontploffen, maar heel vaak is het ook gewoon goed, functioneer ik prima, en is er ongelooflijk veel dankbaarheid.

Het lijkt me dat dit is hoe rouw werkt, of in elk geval kán werken: in brokjes of deeltjes, in golven.

Het komt, en het gaat.

Net als wij.

Dag lieve Cato, dank je wel voor alles.

Share This

Share this post with your friends!